101. Fluisteringen van de ziel, 5

Ik ben 42 jaar en al tien jaar plezierig en succesvol werkzaam als leraar Frans, mentor, decaan en teamleider in het middelbaar onderwijs in Rijswijk. In de loop van dit jaar, 1998, begint een fluistering/aandrang/stem/dwingend gevoel zich van mij meester te maken die steeds sterker wordt. De aandrang zegt: ‘Stop hiermee, doe alles weg en ga op pad.’
Aangezien dit, gezien de huidige goede omstandigheden, me slecht uitkomt, probeer ik eerst nog binnen de kaders van het werk te veranderen en word ik voor twee dagen per week consultant bij het ICLON, de afdeling nascholing van de Universiteit van Leiden. De andere twee dagen ben ik decaan en leraar Frans op de school.
Dat klinkt vrij ideaal, maar ook dit werkt niet.
Sterker, ik stik bijna en alles beknelt me. Overal om me heen zie ik geen mensen, maar lijken en in plaats van kantoren en scholen zie ik doodskisten. Tevens wordt steeds duidelijker waarom dit allemaal gebeurt: ik wil/moet/verlang ernaar Thich Nhat Hanh te ontmoeten, een Vietnamees verlicht zenmeester die in Frankrijk de leiding heeft over een meditatiegemeenschap die leeft volgens de principes van geëngageerd boeddhisme en mindfulness.
Mijn zenleraar in Amsterdam, Nico Tydeman, had me in 1986 al eens verteld:

Als je God op aarde wilt zien lopen dan moet je naar Thich Nhat Hanh.’

Ik ken alle verhalen van oude Japanse en Chinese verlichte meesters uit vroeger tijden, maar ik wil nu wel eens een hedendaagse zenmeester in levende lijve ontmoeten en spreken. Het is alleen geen ‘willen’. Het is een existentiële noodzaak en er is geen ontsnappen meer aan. Ik ervaar ten diepste dat mijn hele leven op het spel staat, ook al kan ik de reikwijdte hiervan totaal niet overzien.
Ik doe alles weg wat ik heb: huis, baan, meubels, spullen. Ik heb alleen nog een rugzak met kleren, wat geld en een paspoort. En ik vertrek. Bezitloos en alleen.
De ontmoetingen met Thich Nhat Hanh, de gemeenschap van Plum Village in Zuid-Frankrijk en de jarenlange zenbeoefening, waarmee ik in 1986 in Amsterdam was begonnen, zullen de rest van mijn leven blijvend bepalen.
Bij deze verlichte meester en deze manier van Leven in Aandacht kom ik een nulpunt, helderheid en innerlijke vrede in mezelf tegen waar ik altijd onbewust naar gezocht had en die ik in onze maatschappij, mijn omgeving en bij anderen nooit kon vinden. Wellicht niet aanwezig is.
Ik woon, werk, mediteer en oefen drie maanden in Plum Village. Ik besef dat ik er niet moet blijven, maar mijn opgedane ervaring in de wereld moet gaan zetten.
Vervolgens ga ik acht maanden werken als gastheer op een camping in de Ardèche. Daarna blijf ik intuïtief volgen wat zich aandient en ga ik fruit plukken, achter de bar werken, word ik reisleider in Tibet en Nepal, en ga ik reizen door India en Sri Lanka.
Ook woon ik een paar maanden bij mijn moeder in Nieuwe Niedorp waar ik diepgaand besef dat alles wat me daar bekend is vanaf mijn geboorte er nog even is en dat ik er nog even van mag genieten. Ik voorvoel dat ook dit enorm lieve en vertrouwde snel definitief zal verdwijnen. En inderdaad, ruim een jaar later zullen mijn moeder en haar beste vriend, Dik Peetoom, kort na elkaar overlijden.
Na twee jaar van omzwervingen, ontmoetingen en werkzaamheden keer ik terug en krijg ik een baan als teamleider en leraar Frans aangeboden op dezelfde school in Rijswijk. Ik koop een woning in Delft.
Ik merk echter dat ik definitief ben veranderd en dat werken op de oude manier binnen de oude structuur niet meer gaat. Dit leidt tot een levenscrisis van enkele maanden. Hierna word ik counselor en zorgcoördinator, hetgeen me de mogelijkheid biedt in volle aandacht en zonder haast of tijdsdruk bij de leerlingen aanwezig te zijn. Toch gebeurt dit nog altijd binnen de kaders van het vaste stramien van het onderwijs, hetgeen wederom begint te knellen. Na enkele jaren verlaat ik het onderwijs om mijn eigen bedrijf in coaching te starten.
Wat niet meer te ontwijken is, is dat nulpunt van helderheid en vrede in mezelf dat alle verdere keuzes in mijn leven zal bepalen. Het is hetzelfde nulpunt als waarvan ik gewaar was geworden in dat bootje toen ik negen jaar was (zie Fluistering 1), alleen dit keer op dieper, gerijpter en bewuster niveau.

De uiterlijke wereld is de innerlijke reis.

Het lastige hiervan is dat de maatschappij veelal niet gericht is op dit vredige nulpunt. En tevens lastig is dat die maatschappij met haar angsten, haast en onbewustheid ook in mij zit. Ik bén die maatschappij.
Dit levert een permanent spanningsveld op waarin ik aan de ene kant mijn eigen gang ga en weg volg en tegelijkertijd aangesloten en betrokken blijf bij die maatschappij en mijn bijdragen, inzichten en kennis lever.
Oude manieren van werken zijn niet meer mogelijk, hetgeen tot verrassend nieuwe werkzaamheden, activiteiten en ontmoetingen leidt. Tevens betekent dit het onvermijdelijk afscheid nemen van vrienden en arbeid die niet meer bij mijn levensweg passen, het verstevigen van de banden met andere dierbaren en het verwelkomen van nieuwe mensen in mijn leven.
De beoefening van Zen, de meditatie, wereldreizen, de ontmoetingen met een verlicht zenmeester en de aandachtige dagelijkse levenswijze in een op bewustzijnsontwikkeling gerichte gemeenschap maakt hierna mijn eigen leven in een gehaaste wereld niet gemakkelijker, maar wél noodzakelijker, dieper, vervullender.
Het maakt tevens zowel het diepste zwart als het helderste licht in me wakker, waarbij ik inzie dat dit twee onafscheidelijke delen zijn die bij elkaar horen als links en rechts, hoog en laag. En leven en dood.
De fluistering, de roep van de ziel is compromisloos en heeft zo zijn onvermijdelijke consequenties.

100. Fluisteringen van de ziel, 3 en 4

FLUISTERING 3
Mijn vader, moeder en mijn oudste zus overlijden wanneer ik respectievelijk 28, 45 en 60 jaar oud ben. Iedere keer als ik naar het dode lichaam van mijn vader, moeder of zus kijk, zie ik niet meer de persoon, maar zie ik dat degene die hij-zij is, terugkeert in mijn hart en tegelijkertijd overal is. En degene die de persoon is, is niet het lichaam waar ik naar kijk. Ik zie de perfectie van een dood die wél en een dood die niet plaatsvindt.
Wat ik ook zie is dat mijn rouwproces niets te maken heeft met mijn overleden, dierbare vader, moeder, zus. De ‘ander’ bestaat niet. Ik rouw om het loslaten van mijn innerlijke hechting aan het beeld dat ik heb van de overledene. En dit rouwen is liefde.

FlUISTERING 4
Ik ben 51 jaar, reisleider in Oost-Turkije en lig ‘s avonds in mijn hotelkamer. Plotseling ben ik in India. Dat wil zeggen, mijn lichaam ligt gewoon op bed in het hotel in Turkije, maar mijn geest, mijn beleving is ergens anders. Anders gezegd: in een andere dimensie ben ik op datzelfde moment in India.
Ik zie in een helder visioen dat ik daar ben om een jongen te helpen. Na enige tijd begint de actuele werkelijkheid van Turkije weer terug te keren, maar het visioen blijft me een paar jaar vergezellen.

Twee jaar later.

in 2009, vertrek ik voor enkele weken naar India. Ik ga omdat ik er zin in heb, maar ik weet ook dat ik daar een Indische jongen moet helpen. Verder heb ik geen enkel idee of nadere informatie.
De dag na aankomst loop ik door New Delhi, wimpel geroutineerd opdringende Indiërs van me af en ga zitten in het centrale park van Connaught Place, in het centrum van Delhi. Even later komt een Indische jongen naast me zitten en begint een praatje. Hij komt sympathiek op me over en hij haalt me over om een binnenlandse trip te boeken. Ik vertrouw hem, vind het eigenlijk wel een goed idee en wat mij betreft mag hij eraan verdienen.
Bij Merrygo Travels boek ik de reis en ik nodig de Indiër, Bharat Nayak, uit voor het diner uit dankbaarheid voor zijn goede advies. Aan het diner vertelt hij me zijn probleem: hij kan geen baan vinden, maar het is mogelijk om bij Merrygo Travels te werken als hij €600,- betaalt om een taxi onder zijn hoede te nemen. Kortom, hij heeft dat geld nodig en vraagt of hij dat van mij kan lenen.
Plotseling komt het visioen van twee jaar geleden in Turkije helder terug. Ik zie precies dezelfde beelden van toen in Oost-Turkije die ik nu daadwerkelijk beleef in India. Ik wéét dat ik deze jongen moet helpen. Ik voel geen enkele twijfel en dat is wonderlijk aangezien ik in dit land altijd op mijn hoede ben voor de vele mensen die iets van me willen, meestal geld.
De volgende dag leen ik hem het geld en we tekenen met het management van Merrygo Travels een contract dat hij me ieder jaar €100,- terug betaalt. Dit zal hij ook daadwerkelijk doen en na drie jaar scheld ik hem de rest van het bedrag kwijt doordat hij zijn afspraken nakomt en volkomen betrouwbaar blijkt te zijn. De jaren daarna hebben we nog regelmatig mailcontact en in 2017 laat hij me weten dat hij nu zijn eigen reisbureau heeft.
In een gesprek met een helderziende in 2018 vraag ik waarom juist ik die jongen moest helpen. Zij vertelt mij dat hij in een vorig leven mijn jongere broertje was en dat ik op zielsniveau zijn roep om hulp heb gehoord.

99. Fluisteringen van de ziel, 1 en 2

Om enigszins helder te krijgen waar deze teksten over spreken, lijkt het me goed om te beginnen met enige persoonlijke ervaringen van Fluisteringen van de ziel.
Hier mijn eerste twee zielservaringen.

FLUISTERING 1
Ik ben 9 jaar en loop, zoals wel vaker, met een rubberbootje onder mijn arm naar het kanaal buiten het dorp, leg het bootje in het water, ga erin liggen en laat me drijven door de stroom. Na enige tijd belandt het bootje in het riet en daar blijf ik liggen. Het riet wuift zachtjes, de golfjes klotsen tegen de kade en ik voel mijn adem bewegen. Alles is heel stil, ik ben helemaal alleen en niemand weet dat ik hier ben.
Dan realiseer ik me plotseling het volgende: dat iedereen er altijd is en dat iedereen altijd hier is.
Ofschoon ik dit als negenjarige niet zo kon verwoorden is het een volstrekt natuurlijke gewaarwording en de hersens, die dit ‘normaal gesproken’ ogenblikkelijk zouden verwerpen als zijnde onlogisch, protesteren niet. De ervaring is sterker dan het denken en ik geef me eraan over zonder gedachten aan overgave. De gewaarwording is alom aanwezig en neemt mij in zich op. Het gebeurt zonder dat ik iets bewerkstellig.
Wat ik hier beschrijf is geen ervaring in de gebruikelijke zin van het woord, aangezien de zintuigen er niet bij betrokken zijn. Wat gebeurt is eerder een fluistering, een geestelijk zuchtje wind dat buiten de tijd plaatsvindt. Een uiterst subtiele herkenning van innerlijk weten. Hoe subtieler de ervaring, hoe waarachtiger en essentiëler ze is.

FLUISTERING 2
Ik ben 29 jaar en ga anderhalf jaar in mijn eentje op wereldreis door Zuid-Amerika en Azië.
In Varanasi, India, lig ik op bed in de ‘Tourist Bungalow’ en stel ik de op dat moment essentiële vraag voor mij:
‘Als ik nu niets meer wil, niets meer hoef of moet, niets meer begeer, ambieer, nastreef, als ik dit alles niet meer doe, gaat er dan nog iets gebeuren? Of niets gebeuren? Of ga ik dan dood? En als er iets gebeurt, wat is dat? En wie doet dat dan?’
Na enige tijd in het niets te hebben gelegen en geluisterd, begint er iets in mijn lichaam te bewegen. En die beweging gaat, geheel uit en in zichzelf, dóór zonder dat ik hier met mijn hoofd ook maar enige invloed op uitoefen.
Het lichaam doet, spreekt, eet, wandelt en ik kijk er in verbazing naar. Ik zie dat ikzelf niets doe, terwijl wat nodig is, wordt gedaan. Het is een wonder en tegelijkertijd volkomen vanzelfsprekend, normaal en natuurlijk. En noodzakelijk.
Wat me toen, na de prangende vraagstelling, overkwam, zou me de rest van mijn leven naar zich toe blijven trekken: bewust leven in het hier-en-nu, waarbij het hier-en-nu alleen kan bestaan als de doener afwezig is.

98. Inleiding tot Fluisteringen van de ziel

De voornaamste kwaal van deze tijd, zowel individueel als maatschappelijk, is verlies van ziel en innerlijke vrijheid.
Dit verlies uit zich o.a. in verslavingen, angsten, fanatisme, geweld, narcisme, verdringing van pijn en verdriet, overmatige hechting aan eigen mening, ontkenning van feiten, gebrek aan empathie, tweedeling in onszelf en dus ook in de maatschappij, een leven van druk, druk, druk en streven naar meer, meer, meer. Alsmede contactarmoede en eenzaamheid.

De grootste gift die we onszelf, onze medemens en onze planeet kunnen geven is niet het repareren van onze persoonlijke problemen, maar het zorg dragen voor het contact met onze ziel en innerlijke vrijheid. De mens heeft aandacht, aanvaarding, verbinding, schoonheid, vrede en vrijheid nodig om een waardevol en goed leven te leiden en dit zijn precies de kenmerken van bezieling. Bovendien, willen we als soort overleven dan is het leiden van een bezield leven noodzakelijk.

De ziel is in dit verband niet een ‘ding’, maar een manier waarop we het leven ervaren. Ze heeft te maken met persoonlijke essentie die in verbinding staat met het totale leven. Bezield leven heeft diepte, waarde, warmte. En gloed.

De teksten die hierna volgen zijn een voorbeeld van de vele uitingsmogelijkheden van de ziel. Het biedt de kans onze ziel te voeden en hiermee ons dagelijks leven te doordrenken met betekenis, zingeving en verbeeldingskracht. En het leven lief te hebben in ál haar facetten, van duister tot licht.

Ik wens u zielsveel lees – en levensvreugde de komende tijd.
En altijd.

97. Dorpsverhaal 78. Het badhuis en dokter de Boer

In de tijd van onze ouders en grootouders, en wellicht in die van u, was het bezit van toilet en douche een teken van welstand. In die tijd beschikten de meeste huizen weliswaar over een WC, een poepdoos, maar vaak was die buitenshuis gevestigd op 10 à 15 meter afstand.
Daar vond men dan een vervallen, houten gebouwtje dat op vier palen boven een sloot stond en waarvan je niet wist of het wel vertrouwd was om erop te gaan zitten. Veel zorg aan de palen werd er tenslotte niet besteed!
Daarom werd er in veel plaatsen een badhuis gebouwd. In Nieuwe Niedorp was deze gevestigd tussen de kleuterschol en de NH kerk. Hier konden de dorpelingen zonder douche twee keer (!) per week een bad nemen. Welvaart!
Een man die vermoedelijk geen gebruik van het badhuis maakte was dokter de Boer, die altijd in zijn handen wreef en om een lepel vroeg. Het maakte niet uit wat je mankeerde, een gebroken been, een hersenschudding, of iets anders, maar dokter de Boer vroeg bij huisbezoek altijd om een lepel en keek altijd in je keel.
Raadselachtige man.
Deze dokter was in de jaren ’60 supermodern, want hij deed zijn huisbezoeken per auto. Zijn voorganger, dokter Maats, deed dit per paard en rijtuig. Hij had hiervoor een speciale koetsier in dienst, Dirk Brouwer, die tegenover de dokter woonde.

Kijk, dat waren nog eens notabele tijden!

96. Dorpsverhaal 77. Rein Rougoor (2)

Rein was samen te vatten in drie delen, namelijk een begenadigd kolver, zich bij de dames gedragend als Casanova en aan de bar zich gelijkwaardig wanend aan een tempelier.
Die bewuste soosavond was er een wedstrijd in de Prins Maurits en Rein wist de ideale mix van deze drie vaardigheden te bereiken. Na afloop werd hij door een drietal medekolvers in de auto naar huis gebracht aan de toen nog doodlopende Zaagmolenstraat. Daar het uitstappen wat moeilijk verliep, namen twee vrienden hem bij de arm en begeleidden Rein huiswaarts. Een tiental meters van de deur rukte hij zich los en schreed kaarsrecht naar de voordeur, alwaar zijn vrouw Grietje Spreeuw (mijn vader noemde haar altijd: Sprietje Greeuw) de deur open zwaaide en de twee behulpzame vrienden stomverbaasd buiten liet staan.
De mannen liepen naar de auto en wilden huiswaarts keren, maar door de ruime draai belandde de auto muurvast in een greppel. In het daarna ontstane tumult ging hier en daar het licht aan en kwamen wat mensen naar buiten om poolshoogte te nemen.
Ook bij de familie Rougoor ging het licht aan en Rein kwam zelfs naar buiten met een slaapmuts op en een kamerjas aan, snel aangeschoten over het uitgaanstenue. Als een krijgsheer stapte Rein op de auto af en sprak de legendarische woorden:
‘Heren, heren, het is hier een nette buurt en ik verzoek u om geen lawaai te maken.
Mijn vrouw Grietje en ik willen van een fatsoenlijke nachtrust gebruik maken.’
Na deze woorden draaide hij zich om en liep waardig naar zijn woonhuis, iedereen verbouwereerd achterlatend.

95. Dorpsverhaal 76. Het muziekconcours

Ver terug in de vorige eeuw gingen Harmonie- en Fanfare korpsen 1x per jaar naar een muziekconcours om te strijden om de hoogste eer.
Zo ook ‘Excelsior’ uit Nieuwe Niedorp, dat later met ‘Crescendo’ uit Oude Niedorp zou fuseren tot Niedorps Fanfare.
Er was stevig gestudeerd en men had goede verwachtingen.
Het verplichte stuk had echter een nogal lastig begin: één lange noot van acht tellen, beginnend met ‘pianissimo’, oplopend in een klein crescendo naar ‘forte’.
Het publiek zat klaar, de jury was kritisch, en op het podium zat iedereen op de punt van de stoel, alert en attent.
De lippen tegen het mondstuk, de juiste embouchure, de vingers op de ventielen en kleppen, en de ogen gericht op de dirigent. Deze maakte een klein gebaar voor een zo zacht mogelijk gelijk begin en ……. men zette in.

Meteen ging het mis.

Waar het vandaan kwam en wie het was, wist niemand, maar het klonk niet goed. Iémand blies uit de toon. Alle ogen schoten verward heen en weer: wie was het? was ík het? was jíj het?
De ogen van de dirigent vlogen van links naar rechts, maar het tij was niet meer te keren: de inzet was miserabel. Het was zelfs oorverdovend vals!
En ja, het zou acht tellen duren, mét crescendo, en men was slechts drie tellen op weg.

Toen ging er nog meer niet goed ….

Tussen de muzikanten op de eerste rij ontstond verwarring, want één van hen zakte van z’n stoel langzaam naar beneden en viel op de grond tussen de benen van de anderen. Z’n hoorn gleed uit z’n handen en rolde onder een stoel.
Er waren op dat moment nog een paar mensen die tóch door bliezen en de acht seconden afmaakten. Maar de meesten stopten en keken ontsteld naar hun clublid die nu levenloos in hun midden lag.
Groot tumult barstte los.
De man, Rein Rougoor, werd , zo goed en zo kwaad als het ging, bij bewustzijn gebracht en later tussen twee collega’s naar de zijkant afgevoerd. Er werd tussen de juryleden en met de dirigent overlegd. Iedereen moest weer gaan zitten en er mocht opnieuw worden gestart.
Ondanks de verwarrende situatie was ieder weer bij de les en er werd voor de tweede maal ingezet. Ditmaal zuiverder dan zuiver en men oogstte veel en lang applaus na het verplichte nummer. Ook de andere muziek werd goed vertolkt, het korps promoveerde, en zo kwam alles weer op z’n pootjes terecht.
Ook het ingezakte lid Rein Rougoor was na de competitie weer helder aanspreekbaar en deelde in de goede afloop.
Wél had hij nog wat op te biechten.
Hij zei:
‘Na die eerste slechte inzet bedacht ik razendsnel hoe ik de hopeloze situatie nog kon redden. Ik aarzelde geen moment en deed net of ik flauwviel. Ik dacht:
misschien mogen we dan opnieuw beginnen, want anders zijn we bij voorbaat reddeloos verloren. En aldus voerde ik mijn snode plan uit.’
De flauwgevallen muzikant werd door iedereen geëerd en geprezen om zijn heldhaftige reddingsactie.
En zó redde Rein Rougoor het Fanfarekorps Excelsior van een uiterst smadelijke degradatie.

94. Dorpsverhaal 75. De muzikant en de zakenman

Zijn naam was Cees Ouwehand. 
In zijn woonplaats Winkel zeiden ze dat Cees rijk was. 
Ze zeiden dat, omdat je het niet aan hem kon zien. 
Wat je wél zag, was zijn gezicht met smakkende tong die vooral begon te leven bij toekijkend publiek. 
Cees was niet alleen rijk, maar ook gek op muziek én op zichzelf, dus kocht hij een drumstel met heel veel trommels en formeerde een trio voor de ogen en oren van zijn verbijsterde publiek onder de naam: The Colly’s. 
Cees werd drummer, als hobby. Hij was een goede leerling, want hij kon drummen zonder te zien wat zijn handen deden. Dat was nodig, want hij had daar geen tijd voor. Hij was namelijk bezig de zaal in te kijken, net zolang tot iemand terugkeek. 
Als je terugkeek, kwam de tong van Cees volop tot leven, begon te kwispelen, slingerde sappig van de ene wang naar de andere en leefde zich uit. Hoe meer de tong kwispelde, hoe meer optredens Cees kreeg. En vice versa.
Op een avond stonden Betty Smit (Wiedijk) en ik in de achterzaal van de Prins Maurits achter de bar. Tijdens de verloting, er waren altijd verlotingen, waarom wisten we nooit, tijdens de verloting dus, zat Cees met zijn trio op het toneel. Hij speelde nog niet, maar een deel van die tong was al bezig voorbij zijn lippen te kwispelen. 
Dát beloofde wat!
In de zaal stond een tafel met producten van de middenstand en ernaast stond een onbekende man. Hij praatte héél hard en dat begreep ik eerst niet. Later wél. 
Een andere man stond met een grote mand op het toneel, naast de trommels van Cees, en in die mand zaten de lootjes. De zaal wachtte in spanning af, want iedereen wilde wel zo’n lekker product van de middenstand winnen. 
Er was een vaste procedure, zo bleek, want je kunt natuurlijk niet zomaar wat doen. De man op het toneel zou een lootje uit de mand trekken en het getrokken nummer bekend maken aan de man naast de productentafel. Die zou dan dat nummer hardop roepen, een prijs van de tafel pakken en dat product naar de winnaar brengen in de zaal. Afgesproken. Zo gezegd, zo gedaan. 
De man op het toneel zei: ‘Nummer 347’. 
De man bij de producten keek hem vragend aan en haalde zijn schouders op. De man bij de mand keek vragend terug. De productenman hield zijn hand bij zijn oor. De mandenman deed een nóg luidere poging: 
‘Nummer 347!’ 
Aarzelende blik van de productman, die zich daarna tot het publiek wendde en luid en duidelijk riep: ‘Nummer 237!’ 
En met de mooi verpakte rookworst liep hij zelfverzekerd en mank, ook dát nog, de zaal in naar de winnaar die geen winnaar was. En daar begon het compromisloze gevecht tussen de twee winnende giganten om de grote prijs der middenstand. Nummer 347 gaf zich niet zonder slag of stoot gewonnen en nummer 237 had het voordeel van zijn grote schare fans. De opwinding om de begeerde rookworst nam toe en terwijl het duel nog onbeslist en in volle gang was ging de reeds in gang gezette procedure voort, want er was op gezweet dus afschaffen kon niet. 
‘Nummer 861!’
Vragende blik, schouderophaling, hand naar het oor, nóg luidere poging, wending naar de zaal: ‘Nummer 651!’ 
En hinkend en mank en zelfverzekerd gingen de volgende slechthorende schnitzels en halfdove leverkazen de zaal door naar de nieuwe winnaars. 
Zo ontstond voorbij de eerste boksring een tweede en hoe duurder de prijzen van de middenstand, hoe heviger de gevechten in de zaal. Bij het laatste gevecht zag men alleen nog rollende en roepende mensen over de vloer, terwijl de door beide partijen gewonnen fruitmand eenzaam in een hoek lag. Gesloopt.

Na de verloting en het vechten begon de muziek.
Nou ja …. Cees. 
Er was een sexy zangeres bij in een kort rokje en met een tamboerijn die ze zwoel tegen haar swingende dijen sloeg. 
In de zaal stond Jan Bruin, het dorpsfiguur. Zijn grote talent was om ritmisch met lepels te slaan en hij kon dat zó goed dat hij het ook deed als mensen er niet om vroegen. Hij had de lepels meestal al op zak als hij binnenkwam, want je wist maar nooit, en zo klom hij, getooid met bestek, vuile overall en klompen, het toneel op en wilde de dijenkletsende tamboerijn pakken, terwijl de muziek lustig doorspeelde. 
Tamboerijn …. Concurrentie …. Lepels ….
De sexy zangeres in het zwoele rokje gaf zich niet gewonnen en trok de tamboerijn terug, terwijl Jan in zijn besmeurde overall en op klompen aan de andere kant van de tamboerijn bleef trekken. 
En daar stonden ze, op het toneel voor het oog van het hele dorp en de middenstand, als twee touwtrekkers aan weerskanten van de tamboerijn. Het ging om grote reputaties en geen van twee gaf op. De tamboerijn wél. Die brak, dus vielen vuile Jan en zwoele zangeres alle twee een andere kant op, terwijl de muziek gewoon doorspeelde en Cees gewoon doorsloeg.
Wég tong, wég aandacht voor Cees, díe was bij de tamboerijn. 
Wij zagen dat zelfs achter een drumstel met veel trommels Cees niet altijd zijn zin kreeg.

Die avond stonden er drie mannen bij mij aan de bar. Ze voerden een discussie en die ging over Cees. Ze zochten een compromis en die was lastig te vinden. Na lang nadenken deed één iemand een verzoeningspoging en zei tegen de andere twee: ‘Oké, vooruit, dán maar die muziek, laat ze maar doorspelen, maar dan onder één voorwaarde: zónder dat gezicht en zónder die tong van die drummer. Dit gaat niet langer. Ik houd dit niet vol.’ 
Maar ja, hoe krijg je dat voor elkaar? 
De drie mannen liepen weg en even later zag het publiek, dat al heel wat te verduren had gekregen die avond, wederom iets onverwachts gebeuren: 
de gordijnen van het toneel schoven langzaam en piepend dicht. Cees speelde ondertussen gewoon door achter het gesloten gordijn. Verzoeningspoging geslaagd! Dé oplossing! Hét compromis! 
De mannen gingen tevreden weer terug naar de bar, maar op het toneel en achter het gordijn dienden zich nieuwe ontwikkelingen aan. Cees zijn getrommel hield langzamerhand op, niet in één keer, maar net als een oude auto die hijgend en puffend met tegenzin tot stilstand komt. Cees begon iets door te krijgen! Terwijl de muziek helemáál stilviel, keek de voltallige zaal ademloos toe. Even bewoog er niets en het leven kwam tot een einde. 

Toen gebeurde het. 

Een lichte beweging in de gordijnen, zoekende vingers naar de scheiding, een kiertje, een opening en …. het verbaasd vragende onbegrijpende gezicht van Cees als een doodsmasker tussen de twee kierende gordijnen, ditmaal zónder tong en zónder muziek. 
Tegenovergestelde oplossing, tegenovergesteld compromis.

Cees was een doorzetter en door dat drummen leek het net alsof hij het niet breed had, net als wij, zijn publiek. Eigenlijk vond Cees zijn rijkdom een beetje vervelend, want dan voelde hij zich niet één van óns. De wens van Cees was dus om de indruk te wekken weinig geld te verdienen en tegelijkertijd zijn vermogen te behouden. Dilemma. 
Dat drummen leek de uitkomst te brengen, vandaar die tong, die zei: 
‘Ik hoor erbij. Ik ben één van jullie.’ 
Maar eigenlijk uitschreeuwde: ‘Ik mag bestaan. Eindelijk!’ 
Op een kermisavond zat Cees weer eens in vol ornaat achter al zijn trommels op het toneel. Een dronken klant liep naar hem toe en pakte in één van de vele onbewaakte momenten, als Cees weer eens de zaal in keek, de reserve drumstokken weg. 
Woest werd de verstokte drummer en hij riep: ‘Geef terug! Ik zit hier voor mijn vreten!’ 
‘Ik zit hier voor mijn vreten’, zei Cees, met véél méér dan gevulde maag. 
Zijn publiek keek wederom ademloos toe en voelde zich door al deze koningsnummers van Cees en zijn trawanten zó normaal en zó gewoon dat ze allen opkeken naar hun smakkende idool die hun eindelijk gaf wat ze zichzelf nooit hadden durven geven. 
Dankbaar sloten ze hun geliefde Cees in de armen. 
Hij was onmisbaar. 
Zij ook.

93. Dorpsverhaal 74. Mijn oma en Toon Hermans

Mijn oma plaste nooit in haar slipje.
Waarom zou ze?
Het leven was al zwaar genoeg.

Mijn oma was oma Stammes, alias Trien Butter, alias Trien Margarien, zoals ze rond dorpsstraat 91 ook wel werd genoemd. Geboren nog net in de 19e eeuw: 1899.
Ze was een hardwerkende, regelvaste, strenge vrouw die, behalve zes kinderen, ook nog een boerderij op Terdiek runde. Opa deed wel mee, maar die was wat meer geïnteresseerd in biljarten en in, zoals mijn vader het noemde, ‘hardvuurderij en draafwerk.’

Toen kwam 1956.

Het was voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis dat op een gedenkwaardige avond het hele land keek naar één man: Toon Hermans. Het was stil op straat.
Nadat oma de TV-show had bekeken wilde ze Toon beslist in het echt zien.
Aldus geschiedde.
Begin jaren ’60 togen mijn vader en moeder met oma en opa naar theater Carré in Amsterdam. Daar zou de inmiddels legendarische Toon optreden.
Die unieke avond is er Nierupper familiegeschiedenis geschreven.
Het is een historisch feit dat oma die avond zó gierend hard heeft gelachen dat zelfs haar stoel in theater Carré bevlekt was met urine. Zo bleek na afloop.
In plaats van hard overleven was daar plotseling de humor, de lichtheid, en het even geen zorgen aan oma’s hoofd hebben.
Ik ben hem nog steeds dankbaar, Toon, voor alle lachtranen.
En ook koester ik de humor-herinnering aan het plasnatte Carré-slipje van mijn strenge oma die zichzelf één avond in haar leven durfde te laten gaan en volledig los ging in onstuitbare slappe schaterlachen.
De slappe lach. Het maakt het leven zo draaglijk.
Vooral met zes kinderen, een man, een crisistijd, een wereldoorlog, en een Terdiekse boerderij om te overleven.
Mijn oma was een dappere en energieke vrouw. Met een heerlijke schaterlach.
Eén keertje maar.
Maar wát voor een keer!

92. Dorpsverhaal 73. Mijn vader als monnik

We schrijven 1982.
Mijn ouders zwaaien sinds 1976 vol verve de scepter in dorpshuis en café de ‘Prins Maurits’.
Enkele dagen vóór de jaarlijkse kermis heeft mijn vader een lumineus idee, maar hij houdt dit stil voor bijna iedereen. Thuis fluistert hij het mij in vertrouwen toe.
Ik zwijg als het graf.
Op kermisochtend zitten stamgasten Guus Wiemeersch, Jan Pep, Henk Limpers en nog enkele klanten aan de bar. Plotseling komt mijn volstrekt atheïstische vader in katholieke monnikspij vanuit de duistere drankenkoeling midden in de lichte bar gestapt. Hij begint water vanuit de spoelbak op de hoofden van de klanten te sprenkelen en zegt plechtig op z’n zachte gee Limburgs:
‘Dit café is mijn kerk, ik ben Frater Jan en ik zegen jullie voor de Nierupper Kermis en de Ronde van Nierup.’
Ik zie nóg voor me hoe de voltallige bar het uitschatert van de lach.
Hij wijst naar de in het complot betrokken Guus Wiemeersch (die hij altijd zijn ‘meesterknecht’ noemde) en zijn broer Kees en roept: ‘En jullie gaan met me mee als hulpmonniken.’
Hij pakt nog twee monnikspijen uit het papier en zo gaan ze gebroederlijk met z’n drieën als vrome monniken op weg naar de Nierupper Wielerronde.
Vlak voordat het wielerspektakel zou losbarsten, kijkt mijn vader vanaf de startstreep recht omhoog richting hemel, maakt een zegenend gebaar naar het publiek en vertrekt dan totaal onverwachts en pijlsnel als eerste van de renners.
Het organisatiecomité blijft verbijsterd achter, zonder nog maar één startschot te hebben gelost. Monnik Jan wil in ieder geval, al is het maar één keer in zijn leven, drie seconden vóór de rest uitrijden en dat lukt wonderwel. Het zijn misschien zelfs víér tellen als triomferende monnik volstrekt alleen aan kop van het getrainde peloton!
Welke monnik in Nederland kan dit zeggen?
Fietsend door Zwagermanstraat, Kostverlorenstraat en Westerweg gaat Monnik Jan dóór met het zegenen van het lachende publiek langs de kant en stapt uiteindelijk, na maar liefst één volle ronde gereden te hebben, van zijn fiets.
Deze gedenkwaardige ronde van 800 meter duurt overigens ruim een kwartier. Een tijdsbestek waarin monnik Jan minimaal vijf maal ingehaald wordt door het voltallige peloton.
Na zijn ‘Het is volbracht’, blijft hij uitgeput aan de finish staan nahijgen naast zijn oude, niet optimaal voor wielerrondes geschikte Havrelux damesfiets. Dan bukt hij om zijn vermoeide monniksbenen te masseren, richt zich weer op en roept luidkeels:
‘Ik dank u, geachte mensen! Maar de plicht roept. Mijn kerk wacht op mij!’
Waarna hij terug gaat naar ‘zijn’ Prins Maurits om kermisband Shoreline te verwelkomen die die avond zou spelen.

Ja, het waren gedenkwaardige tijden!
Als zoon van zó’n vader ….